Nadat mijn opa Jacob Iman Moll in 1936 zijn vader1 verliest belandt in 1937 zijn moeder2 in het ziekenhuis. Jaap trekt tijdelijk in bij zijn tante Koos en ome Piet3, aan Van de Ostadestraat 444 in Den Haag. Daar keert hij, net twintig geworden, terug als zijn moeder in februari 1938 overlijdt. Hij werkt dan al een paar jaar bij meubelfirma Pander.
De oorlog breekt aan, Jaap wordt lid van de bedrijfsbrandweer. Zo’n drie nachten in de week heeft hij piket en houdt dan samen met drie anderen de wacht. Het levert hem voordeel op: een opleiding en papieren. Bovendien hoeven leden van de bedrijfsbrandweer niet naar Duitsland, mogen bij luchtalarm over straat en verdienen tien gulden extra.
Maar dan wordt het 21 november 1944. Onder de codenaam Operatie Sneeuwvlok vindt in Den Haag een razzia plaats. Ongeveer 7000 jongens en mannen tussen de 17 en 40 jaar worden opgepakt om in kampen in Duitsland te werk gesteld te worden4. Jaap weet de dans te ontspringen, maar de Haagse grond wordt hem te heet onder de voeten, hij besluit de stad te ontvluchten. Ruim 50 jaar later schrijft zijn verhaal daarover op.
Na de razzia in november ’44 lieten de Duitsers een tijd lang niets van zich horen. Wij dachten: “dat is vast stilte voor de storm”, maar gingen toch weer naar ons werk, na een maand in huis ondergedoken te hebben gezeten. Tijdens de razzia lagen neef Joop5 en ik onder de vloer van het achterhuis, in de kruipruimte. Door de luchtroosters hoorden we twee Duitse soldaten met elkaar praten en lopen over het grindpad. Ze deden huiszoeking, maar tante Koos vertelde ze dat wij in Duitsland werkten. Ze geloofden het verhaal en zeiden dat de “krieg” spoedig afgelopen zou zijn. We hadden geluk dat we in een benedenhuis woonden, anders hadden we geen kant op gekund.
In die tijd gingen we wel eens op visite bij kennissen die een paar straten verderop woonden. We waren dan verkleed als vrouw, maar dat was evengoed riskant. Je kon de zaak niet vertrouwen. De visites waren van korte duur, daar we om 20.00 uur weer binnen moesten zijn. Dan ging namelijk de “spertijd” in.
Het liep intussen tegen Kerstmis toen de bezetter het in zijn hoofd kreeg om, via aanplakbiljetten in de stad, mannen tussen de 18 en 40 jaar op te roepen. Je kreeg tot 8 januari ’45 de tijd om je te melden. Je moest dan werken aan de frontlinie, of ergens anders graven en spitten. De maatregel werd uitgevaardigd omdat de Duitsers manschappen tekort kwamen – alles zat aan het front. We moesten in de korte periode die ons nog restte een plek zoeken waar we konden onderduiken. Nu had ik tijdens de Kerstdagen een fietstrip gemaakt naar Zaandijk. Daar woonde nicht Catharien6 met haar man Leen7 en hun zoontje Piet. Zij waren geëvacueerd vanuit Velsen Noord, en hadden mij voorgesteld bij hen onder te duiken, wanneer het te bar werd in Den Haag.
Nadat ik thuis in Den Haag de jaarwisseling had meegemaakt – er viel niets te vieren in deze tijd – ging ik mij voorbereiden om de benen te nemen; dat moest immers vóór 8 januari. Op 3 januari ’45 nam ik afscheid van collega’s bij Pander, en ’s avonds van de familie Bronsgeest. Meer kennissen kon ik niet bereiken; het ging allemaal hals over kop. Op 4 januari vertrok ik op fiets zonder banden naar Aerdenhout, waar familie van ons woonde.
De hongerwinter was een armoedige tijd en er lag behoorlijk wat sneeuw op de wegen. Met alleen wat schoon goed in een tas – meer kon je niet meenemen – ging het voorwaarts. In Lisse heb ik nog met een passant samen uit zijn schaaltje wortelen met erwten staan eten, bij een uitdeelpost van een centrale keuken. Maar in Hillegom ging het mis. Mijn achtervelg begon te scheuren en daar kon ik niet mee verder rijden. In het centrum van Hillegom woonde slager Huschemeyer, een neef van oom Gerrit Hermans8. Toen ik mij aan hem voorstelde en vertelde dat ik een zoon was van tante Mina Jonker werd ik onthaald op tarwebrood en soep, zoals je die alleen bij een slager krijgt. Het was dan ook een traktatie in die dagen.
Mijn fiets liet ik achter, en ik ging op weg naar Bloemendaal-Aerdenhout, waar neef Iman Vermeer9 met zijn gezin woonde. Er was in het geheel geen communicatie meer mogelijk, dus ik kwam daar onverwacht binnen vallen. Zij waren gelukkig blij mij te zien, en ik mocht blijven eten en overnachten. Het leven was er wel iets beter dan in de grote stad.
Het tweede deel van de reis verliep niet zo fijn. Het was inmiddels 5 januari ’45, in de hongerwinter. Er lag sneeuw en ik moest lopen naar Zaandijk, via Spaarndam, langs de dijk van het Noordzeekanaal. Toen ik bij Buitenhuizen het kanaal over moest, bleken de ponten stil te liggen omdat de kolen op waren. Voor het bedrag van 1 gulden – het was een papieren gulden – ben ik overgezet met een roeiboot, door een zoontje van één van de pontbazen. Te voet ging ik verder, via Buitenhuizen en Assendelft. Tegen 5 uur in de middag kwam ik aan in Zaandijk, misselijk en beroerd van de hele omstandigheid. De voettocht van Aerdenhout naar Zaandijk had ongeveer 5 uur geduurd; op ongeschikte schoenen door de harde sneeuw lopen, dat viel niet mee.
Mijn nicht Catharien en haar man Leen Westbroek hebben mij goed opgevangen en daar was ik erg dankbaar voor. Met elkaar hebben we de barre winter door weten te komen. We gingen er met de handkar op uit om eten en brandstof op te scharrelen, totdat de toestand nijpender werd; de moffen zaten op alle fronten in de knel en gingen strengere maatregelen nemen, zoals het onder water zetten van de Wieringermeer. Maar de redding kwam op tijd: buurman Ortelee zorgde voor mij voor een baan in de centrale keuken. Dat bracht voordelen voor ons mee en al met al konden we het aardig redden tot de bevrijding. Vanaf begin april tot enkele weken na de bevrijding heb ik in de centrale keuken gewerkt. Daarna heb ik een maand op wachtgeld gestaan, en ben vervolgens bij een boer in de Beemster gaan helpen met het baggeren van sloten, totdat ik in op 7 december 1945 in militaire dienst ging. Ik kwam terecht bij de Gezagtroepen in het Militair Gezag, ons eerste legerkorps van na de oorlog10.
Opgetekend door J.I. Moll
Alkmaar, 17 januari 1997

Bron: familiecollectie. Vervaardiger: onbekend. Datering: 19 april 1945.
- Antonie Jacobus Moll↩
- Willemina Jonker↩
- Jacoba Jonker, de jongste zus van zijn moeder, en haar man Pieter Maijers↩
- Bron: “Operatie Sneeuwvlok, razzia in Den Haag”, Verhalen van de stad, Haags Gemeentearchief, geraadpleegd op 04-05-2025↩
- Johannes Adrianus Maijers, de middelste van de drie zoons van Pieter Maijers en Jacoba Jonker↩
- Anna Catharina Hermans, dochter van Gerardus Hermans en Johanna Jonker, een andere zuster van Jaap’s moeder↩
- Leendert Corstiaan Westbroek↩
- August Frederik Willem Huzemeier was getrouwd met Anna Catharina Christina Sedel, een dochter van Hubertina Hermans, die weer een zus was van Gerardus (Gerrit) Hermans; de slager was dus de man van een nichtje van Jaap’s oom Gerrit↩
- Iman Vermeer was een zoon van Johannes Vermeer en Maria Jonker, ook een zuster van Jaap’s moeder↩
- In september 1944 werden het Militair Gezag en de (tijdelijke) Binnenlandse Strijdkrachten opgericht. Het MG moest de reeds bevrijde gebieden besturen totdat de regering terugkeerde, de BS stond het MG daarin bij. De BS bestond uit de Stoottroepen en de Bewakingstroepen. In augustus werd BS opgeheven. Leden die nog in dienst wilden blijven konden zich opgeven als Oorlogsvrijwilliger om de strijd in Nederlands-Indië voort te zetten. Andere stapten over naar de Gezagstroepen, die de bewakingstaken van de BS overnamen – Bron: “De oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten”, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, , geraadpleegd op 05-05-2025↩

